Lopende

Ik had een fiets
met een rek voor bagage
een bel en drie versnellingen
waarvan de tweede haperde
Dat was lastig, want langzaam
of te snel
op de hellingen
of afwaarts
Maar het wende

Wel konden haastig
pompende voeten
stokken
zomaar stoppen
als een tunnelende laan
van zuilen rood en okerbomen
de noodzaak uit het oog onttrok
om ergens hogerop te komen

Afstappen en de rits wat losser
ging dat
Ademen ademen-adem uit
Een trekker achterop
passeerde traag

traag

traag fluit de boer
bovenin de cabine
een recht zijn kraag
want het heerst
én: da-ag
hij groet
gebaart

Het asfalt trilt na
in de berm
gilt: ja!
en steigerend
in tovervaart
door buik en ingewanden

Er ratelt een spaak
van de fiets aan mijn zij
met onder de banden
(die vol en hard zijn)
het blad dat knispert

Een takje kraakt
en leeg loop ik